"Ik denk dat geen enkele familie in Suriname uit maar één etniciteit bestaat"

Eveline Monsanto over identiteit, familie en de waarde van het weten






Tekst: Zoë Deceuninck

Eveline Monsanto


Eveline Monsanto

Foto: Zoë Deceuninck



Het is niet meer aan haar te zien, maar Eveline Monsanto heeft Afrikaans bloed door haar aderen stromen. Daar kwam ze achter na ruim twintig jaar onderzoek naar haar familiestamboom. Die zit vol verrassingen, want daarnaast  heeft Monsanto ook Chinese, Europese, Inheemse en Javaanse voorouders. Daarmee belichaamt Monsanto nagenoeg alle etniciteiten van Suriname. “Het heeft me toleranter gemaakt.”


Eveline Monsanto is geboren in Moengo, Oost-Suriname. Haar moeder is Javaans, haar vader Inheems. Zelf was ze zich daar lang niet van bewust. “Mijn vader was gewoon mijn vader en mijn moeder mijn moeder”, vertelt ze op een terras in Paramaribo Het was pas toen haar vriendinnetjes op school er opmerkingen over maakten, dat het doordrong dat haar ouders twee verschillende etniciteiten hadden. Monsanto was toen 14 jaar.

Jaren na het overlijden van haar grootmoeder, de moeder van haar vader, viel haar blik op het familieboekje. “Toen zag ik dat mijn overgrootmoeder Stenhuijs heette. Mijn vader was dus geen volbloed Indiaan.” Nieuwsgierig dook ze in de archieven. “Bij het Nationaal Archief kreeg ik van die dikke boeken in mijn handen, maar ik wist niet waar ik moest beginnen.”

Het was de start van een 25-jaar lange zoektocht naar haar familie stamboom. Via forums op het internet, workshops, oude kranten, archieven en een grondige rondvraag in de familie verzamelde Monsanto over de jaren heen steeds meer stukjes van de puzzel. Ze besteedde uren in het Nationaal Archief Suriname (NAS) en heeft tientallen, zoniet honderden aktes doorspit, microfiche per microfiche (een doorzichtige blad film dat beelden van documenten bevat). “Je wordt er duizelig van, zeker als je niet weet waar je moet beginnen”, lacht Monsanto. Het is dankzij de komst van het internet dat ze uiteindelijk op bruikbare informatie stuitte. “Op online forums geven mensen je ideeën, bijvoorbeeld een jaartal, en dan weet je ongeveer waar je moet zoeken. Of je hoort iets waar je verder op kan bouwen.”






Familieboekje Eveline Monsanto

“Het is zeker wenselijk dat er meer specialisten komen op vrijwel elk gebied,” zegt Vreden. “Je kunt investeren in het verdrievoudigen van het aantal specialisten in Suriname, maar dan moet je hopen dat de specialisten die geen werk vinden in Paramaribo op eigen initiatief in de andere districten gaan werken. Het kan ook zijn dat ze naar het Caribisch gebied verdwijnen, daar zijn we niet mee geholpen”, vindt Vreden, die in het opleiden van eigen specialisten geen prioriteit ziet.


Naar Nederland

Een Surinaamse basisarts die zich wil specialiseren, moet verplicht voor zijn of haar  vervolgopleiding naar het buitenland. Vanwege de taal, geschiedenis, vergelijkbare opleidingsprogramma's en kwaliteit van de gezondheidszorg kiezen de meeste voor Nederland. Afhankelijk van de soort specialisatie moet een arts in opleiding voor één tot maximum vier jaar naar het buitenland.

In 2012 trok Punwasi naar Nederland om zich te specialiseren in nefrologie, een opleiding van zes jaar waarvan de laatste twee jaar in Nederland. De eerste vier jaar van deze opleiding kon Punwasi in Suriname volgen, maar voor het behalen van enkele specifieke opleidingsnormen moest hij naar het buitenland. Dat geldt voor alle specialisatieopleidingen. In het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam kreeg Punwasi niet betaald voor zijn werk, in tegenstelling tot zijn Nederlandse collega's in opleiding. Voor wie vier jaar naar Nederland gaat, kunnen de verblijfskosten oplopen tot zo'n 100.000 euro. De hoge kosten kunnen jonge artsen ontmoedigen om aan een specialisme te beginnen, erkent Vreden. “De betaling voor Surinaamse artsen in opleiding in Nederland is nog niet centraal geregeld. Sommige ziekenhuizen nemen het voor hun rekening, andere niet. We zijn daarover aan het praten om dat eventueel centraal te structureren”, aldus Vreden. Zie Surilines artikel Riezvi Jessurun volgt opleiding in Nederland.

De uitwisseling met Nederland is historisch gegroeid en constant in ontwikkeling, vervolgt hij. Voordat Suriname in 1969 een Faculteit der Medische Wetenschappen kreeg, was er alleen een geneeskundige school. “Om arts te worden moest je sowieso voor de volledige studie naar Nederland.”


We zijn er absoluut nog niet aan toe om

de opleidingen volledig in Suriname te verzorgen


Naarmate meer artsen na hun opleiding terugkwamen ontwikkelde de geneeskunde in Suriname zich tot een hoger niveau. “Sommige artsen specialiseerden zich ook in Nederland, en zo kregen we specialisten in het land en werd het mogelijk om een deel van de opleiding hier te doen. We werken eraan om in de volledige opleiding te voorzien, maar dat gaat toch nog wel even duren”, zegt Vreden. Bovendien heeft de opleiding in Nederland ook zo haar voordelen.

Niet alle medische ingrepen, technieken en methoden om een ziekte of probleem te kunnen vaststellen kunnen worden toegepast in Suriname. “Met een opleiding in het buitenland leren onze artsen niet alleen dat die mogelijkheden wel bestaan, maar ze leren de technieken ook beheersen. Onze specialisten voldoen daardoor aan internationale eisen. Eenmaal terug in Suriname zullen ze er wellicht naar streven om die techniek ook hier mogelijk te maken”, hoopt Vreden. Een eigen specialisten opleiding in Suriname betekent nu nog inleveren op de kwaliteit van Surinaamse artsen.



Kopie van het familieboekje, waar het allemaal mee begon.

Foto: Zoë Deceuninck



De eerste moeder

Overal waar ze gaat heeft Monsanto haar onderzoekstas bij zich, een schoudertas met een blauwe map. Daarin zitten kopieën van haar belangrijkste vondsten, zoals een manumissie uit 1840 met de naam Magdalena Andresa, een Afrikaanse tot slaaf gemaakte vrouw.

“Zij is de moeder van mijn over overgrootmoeder”, vertelt Monsanto. “Ze werd vrijgekocht door Christiaan Maij, een kleurling, die haar als vrouw in huis nam.” Het koppel woonde geruime tijd in de Keizerstraat, toen een van de meer welgestelde straten van Paramaribo. Maar de liefde hield geen stand. In de archieven achterhaalde Monsanto dat Magdalena Andresa werd verlaten voor een andere vrouw. Christiaan Maij kreeg een kind met een andere vrouw op het adres aan de Keizerstraat, in hetzelfde jaar dat Magdalena Andresa overleed in de Maagdenstraat. Bij haar overlijden had ze alleen een koffer met kleren in haar bezit. “Ze is in eenzaamheid gestorven. Dat vond ik wel zielig om te ontdekken”, zegt Monsanto. Magdalena Andresa werd 49 jaar.

De ontdekking dat Monsanto Afrikaans bloed in haar familie heeft was een van de opmerkelijkste vondsten die ze de afgelopen 25 jaar heeft gedaan. “Ik had het niet verwacht”, zegt ze. Een andere verrassing was dat haar over-overgrootmoeder van vaderskant is getrouwd met een Chinese man. Een broertje en twee zussen van haar vader zijn met Hindoestanen getrouwd, en zijn oudste broer met een Indiaanse. “Ik denk dat geen enkele familie in Suriname uit maar één etniciteit bestaat”, zegt Monsanto. “We zijn allemaal mix, maar heel veel mensen weten het niet van zichzelf. Daardoor zijn ze met een blik op je uiterlijk al gauw geneigd je in een hokje te stoppen.” En zo’n hokje is gevuld met vooroordelen. Zo zouden Indianen lui zijn, marrons crimineel, hindoestanen gierig en Javanen oplichters. Als jongere heeft Monsanto weleens gebruik gemaakt van haar gemengde achtergrond. “Als het me uitkwam was ik Javaan, als het me uitkwam was ik Indiaan”, lacht ze.



Rommelen

Monsanto komt uit een groot gezin - ze heeft tien broers en zussen - maar het onderzoek naar haar stamboom doet ze alleen. “De anderen zijn wel geïnteresseerd in het resultaat, maar niet in het onderzoek.” Haar motivatie komt uit haar jeugd, stelt ze. “Vroeger hadden we geen contact met de familie omdat we op Moengo woonden. Er was geen telefoon. We hadden alleen contact als er toevallig iemand kwam, bijvoorbeeld een neef die in militaire dienst was. Als hij naar het oosten reisde, stopte hij in Moengo om ons te groeten. Daardoor ontdekte ik dat mijn familie groter is dan het gezin waarin ik opgroeide”, vertelt Monsanto. En ze is altijd al iemand geweest die veel las en graag dingen uitzocht. “Ik heb familieleden gevonden, waarvan één in 1970 is overleden, een halfzusje van mijn grootvader. We wisten niet van haar bestaan en hebben helemaal geen contact gehad. Mijn vader heeft ook niet over ze gesproken, ik denk dat hij het ook niet wist. Dat vind ik wel spijtig.”

Aan de andere kant maakte Monsanto kennis met familieleden waarvan de bloedband onduidelijk was. “Als kind kregen we vroeger bezoek van creoolse vrouwen”, vertelt Monsanto. “‘Is familie’, zei mijn vader altijd. Ik noemde ze ‘tante’. Het bleef me bij en in 2022, toen ik op vakantie was in Nederland, ben ik bij een van die tantes op bezoek gegaan. Ze was al 92 jaar. Zij vertelde me dat haar oma is ‘gaan rommelen’ met opa Monsanto. Daarom zijn we familie.”





Fotocollage van enkele (opgespoorde) familieleden van Monsanto.

Foto: Zoë Deceuninck



Nummer 745/VV

Onderzoek doen naar de familiestamboom in Suriname is niet vanzelfsprekend. Tot slaafgemaakten hadden geen achternaam, (dubbele) voornamen werden verkeerd gespeld, mannen werden verkocht, vrouwen stierven jong, kinderen werden van hun ouders weggehaald, familienamen verbasterd en de archieven die de informatie bevatten, lagen lange tijd in Nederland of zijn jarenlang verwaarloosd en beschadigd. Inheemsen hadden bovendien helemaal geen familienaam en de Aziatische contractarbeiders die naar Suriname werden gebracht, kregen alleen een nummer achter hun voornaam. Pas rond 1950 werden ze verplicht door de overheid om een achternaam te kiezen. Marrons en inheemsen werden ‘aangemoedigd’ hetzelfde te doen. “Mijn overgrootmoeder van moeders kant was nummer 745/VV. Haar naam was Bok Wongsodikromo”, zegt Monsanto. “In 1950 koos ze de geslachtsnaam Wongsodikromo en de voornaam Sarijem.” Nog steeds heb je in de Javaanse gemeenschap alleen een voornaam nodig om te weten wie je bedoelt, vertelt Monsanto. “Over mijn overgrootvader van mijn moeders vader heb ik nog niets gevonden.”

Het spoor naar haar familie langs vaders kant loopt dood bij de slavin Magdalena Andresa. Over diens moeder kon Monsanto niets terugvinden. En over vaders werd in de periode van slavernij al helemaal niets geregistreerd. “Bij de Aziatische contractarbeiders was er nog een vorm van registratie, met schepen en nummers, maar nakomelingen van tot slaafgemaakten weten helemaal niets”, zegt zij. “De kolonisator is er heel goed in geslaagd om de neger radicaal te brainwashen. Ze weten niet eens van waar ze komen”, verzucht ze.


Op adem

Twee jaar geleden deed Monsanto haar DNA op de post voor MyHeritage, een online platform dat is gespecialiseerd in het samenstellen van stambomen, DNA-tests en historische documenten. “Ik had meteen 94 matches", zegt ze. Helaas kwam geen enkel daarvan uit Afrika. Vooral in Nederland, maar ook in Amerika en Frans-Guyana woont familie, van de zoon van een achternicht in de vierde graad tot een nicht waar Monsanto nog nooit van gehoord had. “Ik weet niet wat ik ermee moet beginnen.” Contact opnemen durft ze (nog) niet, "want niet iedereen is blij om te horen dat er meer familie bestaat dan ze bekend is", aldus Monsanto.

Voor nu ligt haar onderzoek stil en komt ze even op adem. “Mijn computer zit vol. Ik moet het gaan regelen in een schema. Daarnaast wil ik meer te weten komen over het leven van mijn voorouders, niet alleen hun naam.” Er komen namelijk steeds meer bronnen beschikbaar en as we speak worden er documenten ontsloten in het NAS, een traject waar Monsanto ook als vrijwilliger aan bijdraagt. De archieven die in Nederland lagen zijn intussen teruggehaald en NAS is in samenwerking met anderen de beschikbare informatie aan het digitaliseren. “De archiefstukken worden online beschikbaar. Want het is echt veel werk als je handmatig moet zoeken.”




"Als je niet weet welke offers je voorouders hebben gebracht, dan weet je niet wat je waard bent"




Monsanto spoort haar landgenoten aan om ook in hun familiegeschiedenis te duiken. “Wij zijn er omdat zij er waren. Als je niet weet wie zij zijn, wat voor pina (een afgeleide van ‘pinaren’, wat ‘armoede lijden’ betekent, red.) ze hebben meegemaakt, welke offers ze hebben gebracht en hoe ze hun leven hebben ingericht, dan weet je niet wat je waard bent”, stelt ze. Zelf heeft het onderzoek haar ‘toleranter gemaakt’ - een belangrijke eigenschap in een multi-etnische samenleving. “Ik ben niet meer zo vatbaar voor algemeenheden en vooroordelen. Niemand kan mij nog zomaar dingen komen wijsmaken.” Een omschrijving voor ‘de Surinaamse identiteit’ heeft ze niet, maar ze bestaat wel, vindt Monsanto. “Je moet het alleen niet aan een bepaalde etniciteit of cultuur verbinden. Het volstaat dat je hier bent. Dat we hier sámen leven binnen de grenzen die er zijn gesteld, met een gemeenschappelijk doel om er het beste van te maken.” De nationale identiteit van Suriname is, met andere woorden, aangeboren. Monsanto is daarvan het levende bewijs.



Eveline Monsanto doet onderzoek